Aanbevelingen NVvP om dwang te voorkomen

De Richtlijn Dwang en drang in de GGZ geeft zorgprofessionals concrete aanbevelingen over (het voorkomen van) dwang en drang tijdens opname en behandeling in de GGZ, gericht op het bevorderen van herstel van de cliënt. De richtlijn is opgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP).

Betrek de cliënt

Het is belangrijk om cliënten te betrekken bij de behandeling. Zorgverleners moeten uitleg geven over het doel van interventies en moeten proberen het met de cliënt eens te worden over de behandeling. 

Samen met de cliënt kan een crisiskaart of signaleringsplan worden opgesteld. Bij een crisis moeten alle betrokken hulpverleners nagaan of de cliënt zo’n document heeft.

Op verzoek van de cliënt kan een Eigen Kracht-conferentie worden georganiseerd.

Geef aandacht aan de beleving van de cliënt

Aandacht voor een goede bejegening is erg belangrijk. Het behandelteam moet signalen dat het niet goed gaat met de cliënt zo vroeg mogelijk oppakken. Het team moet daarvoor oog hebben en houden voor de beleving van de cliënt en voor zijn behoeftes.

Als dwangtoepassingen toch moeten worden ingezet, blijft respectvol contact met de cliënt en zijn belevingswereld de centrale voorwaarde voor behandeling. Het team moet bereid zijn om zich hierbij te laten helpen, consulteren, toetsen en bij te scholen.

Betrek naasten

Naasten kennen de cliënt meestal goed. Zij kunnen een belangrijke rol spelen door:

  • waardevolle informatie te geven
  • een belangrijke en steunende factor te zijn voor de cliënt
  • te helpen het schadelijke gedrag van de cliënt te verminderen of hanteerbaar te maken
  • richting te geven aan een toekomstbeeld voor de cliënt
  • te helpen bij het signaleringplan

Uit onderzoek blijkt dat preventief betrekken van naastbetrokken een gunstige rol heeft op opnameduur.

Verminderd contact tijdens een crisis mag niet betekenen dat het contact definitief als verloren beschouwd wordt. Er is aandacht nodig om het contact en het vertrouwen tussen cliënt en naasten te behouden of zo nodig te herstellen.

Van belang is om samen te werken met naasten die de cliënt zelf vertrouwt en alert te zijn op eventuele verstoorde of ongezonde relaties.

Zet ervaringsdeskundigen in

De richtlijn beveelt de inzet van ervaringsdeskundigen in behandelteams en op (gesloten) afdelingen aan.

Ervaringsdeskundigen hebben een vergelijkbare situatie meegemaakt als de cliënt. Zij hebben de gebeurtenis(sen) verwerkt en zijn in staat hun ervaringen op een constructieve manier te delen met anderen.

Ervaringsdeskundigen kunnen helpen het patiëntenperspectief te verwoorden waardoor cliënten beter begrepen worden en zich begrepen voelen. Dit bevordert de samenwerking tussen behandelaars en cliënten en kan helpen bij een zorgvuldige besluitvorming rond dwangmaatregelen.

Van een ervaringsdeskundige wordt verwacht dat deze is geschoold in de inzet van ervaringsdeskundigheid en als lid van het team professioneel handelt.

Meer over dwang en drang

De Richtlijn Dwang en drang in de GGZ bevat meer concrete aanbevelingen aan zorgprofessionals, gericht op het bevorderen van herstel van de cliënt.