Zorgvuldigheid bij dwangtoepassing in de GGZ

GGZ Nederland heeft met enkele andere organisaties acht kwaliteitscriteria opgesteld voor het toepassen van dwang en drang. Een menselijke bejegening bij het toepassen van dwang en drang is van groot belang.

1.
Besef dat dwang en drang onderdeel uitmaken van de psychiatrische praktijk en dat die praktijk wordt gekenmerkt door tegenstrijdige verplichtingen (bijvoorbeeld: de verantwoordelijkheid van de cliënt voor zijn eigen leven tegenover ingrijpen omdat cliënt die verantwoordelijkheid niet aan kan). Belangrijk is om verantwoording af te leggen voor gemaakte keuzen, zowel door individuele hulpverleners als in het kader van het instellingsbeleid.

2.
Tegenstrijdige verplichtingen leiden tot ambivalente gevoelens en emoties, bij de cliënt en bij de familie. Schenk aandacht aan die gevoelens. Ga creatief om met spanningen.

3.
Beschouw dwang en drang in het kader van het proces van zorg. Ingrepen zijn alleen te rechtvaardigen in een context van betrokkenheid. Ze vereisen aandacht, verantwoordelijkheid en afstemming. Dwang- en drangtoepassingen vragen soms om juridische rechtvaardiging, maar altijd om menselijke en professionele betrokkenheid. Uitgangspunt in het proces is het overleg tussen hulpverleners, cliënt en familie.

4.
Dwang en drang vereisen goede communicatie. Besteed aandacht aan bejegening, openheid, afspraken maken, contact houden. Onderhandelen en overtuigen kunnen situaties van dwang voorkomen, maar dienen tijdens de dwangtoepassing te worden vermeden.  Wel moet het contact en communicatie met de cliënt zo veel mogelijk in stand blijven.

5.
Reflecteer op het doel van het ingrijpen. Kijk daarbij niet alleen naar het afwenden van gevaar, maar stel vooral de vraag of en hoe een interventie zal bijdragen aan de mogelijkheden van de cliënt om de greep op zijn eigen leven te behouden en te vergroten.

6.
Reflecteer op de middelen. Wees bewust van de variatie in het scala van interventies. Gebruik niet meer ingrijpende maatregelen dan nodig. Probeer creatief om te gaan met situaties. Wees flexibel, respectvol en tactvol.

7.
Plaats dwang en drang in een tijdsperspectief. Probeer anticiperend te werk te gaan. Maak afspraken vooraf met cliënt en zo mogelijk met de familie. Wees transparant over het ingrijpen.

8.
Streef naar adequate randvoorwaarden (deskundigheid, beschikbaarheid, bouwkundige voorzieningen, voorlichting, protocollering) en onderneem actie waar deze ontbreken.

Meer informatie vindt u in 'Dwang en drang in de psychiatrie: kwaliteit van vrijheidsbeperkende interventies'. Redactie Tineke Abma, Guy Widdershoven en Bert Lendemeijer. Utrecht: 2005.