Wat betekent dit voor: familie professional
familie
Risicofactoren voor gedragsproblemen
Gedragsproblemen ontstaan meestal uit een wisselwerking tussen kenmerken van de persoon zelf, en zijn omgeving. Risicofactoren zijn daarom zowel bij de persoon als in de omgeving te vinden.
Hieronder staan voorbeelden van factoren die het risico op gedragsproblemen kunnen verhogen.
Persoonlijke risicofactoren
- Jonge of juist oudere leeftijd.
- Structurele gezondheidsproblemen (eventueel in samenhang met de verstandelijke beperking / het syndroom / de leeftijd).
- Ongewenste bijwerkingen van (langdurig gebruikte) geneesmiddelen.
- Specifieke ontwikkelingsstoornissen, zoals een vorm van autisme (autisme spectrum stoornissen), PDD en ADHD.
- (Langdurige) psychiatrische problematiek.
- Ernstige meervoudige beperking.
- Langdurig te weinig kansen krijgen, of juist langdurig overvraagd zijn.
- Te hoge verwachtingen van zichzelf, zonder inzicht in hun eigen kwetsbaarheid.
- Onvoldoende vermogen om van ervaringen te leren en zelfstandig regie over het eigen leven te voeren.
- Overprikkeld zijn zonder beperkingen te willen accepteren; mensen die geen behoefte hebben aan ondersteuning of aangeboden ondersteuning niet accepteren.
- Psychosociale problematiek waardoor iemand geen verantwoordelijkheid kan dragen voor zijn eigen leven.
- Niet-aangeboren hersenletsel (NAH): een knik in de levensloop en een grillige, blijvende, beschadiging op velerlei terrein.
Risico’s in de omgeving
- Woonomstandigheden: gebrek aan (privé-)ruimte.
- Te weinig bewegingsvrijheid, bijvoorbeeld doordat er geen hulpmiddelen beschikbaar zijn.
- Gebrek aan ruimtelijk overzicht.
- Overmatige prikkels en onrust van anderen (lawaai, gedrag).
- Slecht zicht of slecht gehoor, en geen hulpmiddelen die dit compenseren.
- Een slecht begrip van wat er gebeurt in de omgeving.
- Onvoldoende ontwikkelingsmogelijkheden en gebrek aan zinvolle tijdsbesteding (dagbesteding, werk, vrije tijd).
- Gebrek aan zeggenschap, onvoldoende keuzevrijheid. Een dominante houding van anderen in het huishouden, op het werk, in de relatie.
- Onvoldoende contact met een (eigen) sociaal netwerk.
- Te weinig aandacht van anderen voor bijvoorbeeld persoonlijke wensen, ervaringen en emoties.
- Ondeskundigheid, desinteresse, een te hoog tempo van begeleiders en verzorgers.
- Te veel belangstelling en goede bedoelingen van anderen: bemoeizucht en betutteling.
- Onduidelijke of tegenstrijdige adviezen, afspraken of behandelingen. Dubbelzinnigheden en onduidelijkheden in het beleid op persoonlijk gebied of op het niveau van het huishouden, de dagbesteding, het werk.
- Onvoldoende professionele ondersteuning en aansturing / coaching van medewerkers van de zorgaanbieder
- Onvoldoende continuïteit van zorg en ondersteuning.
