Wat betekent dit voor: familie professional
familie
Relatie tussen gedragsproblemen en (psychische) gezondheidsproblemen
Gedragsproblemen kunnen te maken hebben met de gezondheid van uw familielid. Als de gebruikelijke communicatie via taal moeilijk of onmogelijk is, vraagt uw familielid misschien via zijn gedrag aandacht voor lichamelijke en psychische problemen.
Achterliggende aandoening
Gedrag kan direct samenhangen met de achterliggende oorzaak van de verstandelijke beperking, zoals Downsyndroom, het fragiele X syndroom, het Prader Willi syndroom, een pervasieve ontwikkelingsstoornis, autisme enzovoort.
Bijkomende aandoening
Alle bekende aandoeningen en ziekten kunnen ook voorkomen bij mensen met een verstandelijke beperking, zowel psychiatrische als lichamelijke aandoeningen. Psychiatrische verschijnselen kunnen moeilijk te vinden en te duiden zijn, maar er is onder mensen met een verstandelijke beperking niet een bijzondere soort psychiatrie in het spel.
Het is goed om te weten dat mensen met een verstandelijke beperking zelfs een verhoogd risico hebben op bijkomende ziekten. Bovendien is er vaak sprake van onderdiagnostiek: bij mensen met een verstandelijke beperking worden bijkomende aandoeningen vaak niet herkend, niet vastgesteld en dus niet behandeld.
Horen, zien en contact maken
Problemen met horen en zien blijven vaak onopgemerkt, terwijl ze de bewegingsvrijheid en redzaamheid ernstig belemmeren. Ook aan autisme verwante aandoeningen en psychiatrische ziektebeelden komen beduidend vaker voor bij mensen met een verstandelijke beperking. Hoe ernstiger de beperking, hoe meer kans op deze problemen. En hoe moeilijker ze te herkennen zijn; gericht onderzoek is daarvoor noodzakelijk.
Psychiatrische problemen
Probleemgedrag is vaak lastig te plaatsen. Is het een gevolg van de ontwikkelingstoornis, van de omgeving (huisvesting, dagbesteding, sociale contacten enzovoort) of is er sprake van een psychiatrische ziekte? Om dit goed vast te stellen moet eerst worden vastgesteld of de ontwikkelingsstoornis zelf én de omgeving de problemen veroorzaken. Daarbij is samenwerking nodig tussen verschillende deskundigen:
- de persoonlijk begeleider (mentor) voor de huiselijke omstandigheden;
- de dokter (huisarts en/of AVG) voor onderzoek naar / inlichtingen over gezondheidsproblemen;
- gedragsdeskundigen (psycholoog en/of orthopedagoog) voor weging van de psychische aspecten van de verstandelijke beperking.
Pas nadat deze factoren samen goed in beeld zijn gebracht, is verwijzing naar de psychiater aan de orde. De huisarts moet hier in ieder geval van op de hoogte zijn, ook als uw familielid zorg krijgt in een instelling.
Diagnosestelling
Gedrag en stemmingen als apathie, neerslachtigheid, onrust, hyperactiviteit, ronddwalen, seksuele ontremming, slaapproblemen, verwardheid, agressie en automutilatie (zelfbeschadiging) kunnen deel uitmaken van een psychiatrisch ziektebeeld. Dan is medische behandeling aangewezen, eventueel met medicatie. Alleen een arts kan vaststellen of deze verschijnselen inderdaad voortkomen uit een psychiatrische ziekte. Dat kan een huisarts met kennis van verstandelijke beperkingen, een AVG of een psychiater zijn. Hij moet daarbij wel rekening houden met de specifieke situatie van mensen met een verstandelijke beperking, en in zijn oordeel rekening houden met informatie over het verleden en heden (van familie, begeleiders, vroegere behandelaars) en aanvullende diagnostiek van verschillende disciplines.
Medicijnen bij psychiatrische problemen
Bij gedragsproblemen worden nog wel eens psychofarmaca gegeven (medicijnen tegen psychiatrische klachten). Dit is alleen verantwoord als er een medische indicatie gesteld is, dus als een psychiatrische ziekte is vastgesteld.
Als gedragsproblemen van uw familielid met medicijnen worden behandeld zonder een goede diagnose, bestaat het gevaar dat de achterliggende oorzaken van het gedrag over het hoofd gezien worden. Men probeert het gedrag in de hand te houden, maar de feitelijke problematiek wordt niet aangepakt. Dit kan al snel leiden tot beheersing van de gedragsproblemen, in plaats van de ontwikkeling naar een beter perspectief waarin het gedrag zelf in een positieve richting verandert.
