Wat betekent dit voor: familie professional
professional
Relatie tussen gedragsproblemen en (psychische) gezondheid
Gedragsproblemen kunnen te maken hebben met de gezondheid van uw cliënt. Als de gebruikelijke communicatie via taal moeilijk of onmogelijk is, vraagt uw cliënt misschien via zijn gedrag aandacht voor lichamelijke en psychische problemen.
Dementie of een andere aandoening
Gedrag kan samenhangen met de ziekte dementie of met een andere ziekte of beperking die de cliënt ook heeft.
Psychiatrische en lichamelijke ziekten
Alle bekende ziekten kunnen ook voorkomen bij mensen met een dementie. Zowel psychiatrische als lichamelijke ziekten. Psychiatrische verschijnselen zijn bij mensen met dementie dikwijls moeilijk te vinden en te duiden. Vaak hebben cliënten:
- hallucinaties (dingen zien of horen die er niet zijn);
- wanen (ideeën die niet kloppen met de werkelijkheid, bijvoorbeeld het gevoel bestolen te worden);
- depressieve klachten;
- angst.
Mensen met een dementie hebben zelfs een verhoogd risico op bijkomende ziekten. Bovendien is er vaak sprake van onderdiagnostiek: bijkomende aandoeningen worden vaak niet herkend, niet vastgesteld en dus niet behandeld.
Horen, zien en contact maken
Problemen met horen en zien blijven ook vaak onopgemerkt, terwijl ze de bewegingsvrijheid en redzaamheid van cliënten natuurlijk erg belemmeren.
Samenwerking van deskundigen
Probleemgedrag is vaak lastig te plaatsen. Komt het door de dementie? Of door de omgeving (huisvesting, dagbesteding, sociale contacten enzovoort)? Of heeft de cliënt een bijkomende psychiatrische ziekte die het gedrag veroorzaakt? Om dit goed vast te stellen is goede samenwerking nodig tussen alle deskundigen rond de cliënt:
- de verantwoordelijke thuiszorgmedewerker die de cliënt verzorgt en ondersteunt;
- de dokter (huisarts en/of specialist ouderengeneeskunde) voor onderzoek naar / inlichtingen over gezondheidsproblemen;
- gedragsdeskundigen (zoals een psycholoog) voor weging van de psychische aspecten van de dementie.
- de verpleegkundig specialist van de huisarts of de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige van de geestelijke gezondheidszorg voor de omgang met de cliënt, de zorgcoördinatie en dagstructuur.
- de familie als de belangrijkste deskundige voor alles wat met uw cliënt te maken heeft. De inbreng van de familie is erg belangrijk.
Eerst een goede diagnose
Bij gedragsproblemen krijgen mensen met dementie soms psychofarmaca (medicijnen tegen psychiatrische klachten). Dit is alleen verantwoord als er een medische indicatie is. Dus als er een psychiatrische ziekte is vastgesteld. Zonder een goede diagnose bestaat het gevaar dat u en andere hulpverleners de echte oorzaken van het gedrag over het hoofd zien. Die worden dan dus niet aangepakt. Dit leidt al snel tot beheersing van de gedragsproblemen, in plaats van optimale omstandigheden waardoor het gedrag zelf verandert.
Diagnose: ook een psychiatrische ziekte
Gedrag en stemmingen kunnen horen bij een psychiatrische ziekte. Voorbeelden zijn apathie, neerslachtigheid, onrust, hyperactiviteit, ronddwalen, seksuele ontremming, slaapproblemen, verwardheid, angst, hallucinaties, wanen en agressie. Of de verschijnselen inderdaad door een psychiatrische ziekte komen of door de dementie, kan alleen een arts vaststellen die deskundig is op het gebied van dementie (een klinisch geriater, neuroloog, specialist ouderengeneeskunde of een ouderenpsychiater). Stelt hij vast dat de cliënt een psychiatrische ziekte heeft, dan moet de cliënt dus een medische behandeling krijgen, eventueel met medicijnen.
